ECLI:NL:CRVB:2003:AF5515
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.Th. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Betekenis fictieve opzegtermijn bij ontbinding arbeidsovereenkomst en toepassing WW en BW
De zaak betreft de lengte van de fictieve opzegtermijn zoals bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Werkloosheidswet (WW), in samenhang met artikel 7:672 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Gedaagde was sinds 1993 in dienst bij zijn werkgever met een overeengekomen opzegtermijn van zes maanden voor beide partijen. Na ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter werd een WW-uitkering aangevraagd. Appellant stelde dat de fictieve opzegtermijn eindigde op 31 maart 2000, gebaseerd op de contractuele opzegtermijn minus de rda-maand.
De rechtbank oordeelde dat de zes maanden opzegtermijn in strijd was met artikel 7:672 BW Pro, omdat de opzegtermijn voor de werkgever minimaal het dubbele van die voor de werknemer moet zijn, tenzij een CAO anders bepaalt. Omdat dit niet het geval was, was het beding nietig en moest de wettelijke opzegtermijn worden toegepast. De Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat de wettelijke opzegtermijn praktisch toepasbaar is voor de fictieve opzegtermijn in de WW.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat appellant een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt appellant veroordeeld tot vergoeding van renteschade vanaf 1 december 1999 en tot betaling van proceskosten aan gedaagde. De uitspraak verduidelijkt de toepassing van wettelijke opzegtermijnen bij fictieve loonbetalingen in het kader van WW-uitkeringen.
Uitkomst: De Raad vernietigt het besluit en bepaalt dat de wettelijke opzegtermijn geldt voor de fictieve opzegtermijn, met vergoeding van renteschade en proceskosten.