ECLI:NL:CRVB:2002:AD9473
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens overschrijding vrij te laten vermogen
Appellant ontving een bijstandsuitkering die werd beëindigd omdat zijn vermogen op 1 september 1997 het vrij te laten vermogen volgens de Algemene bijstandswet (Abw) overschreed. Dit vermogen bestond uit een verzekeringsuitkering die appellant had ontvangen na brand in zijn shoarmazaak.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de beëindiging ongegrond, omdat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij schulden had die het vermogen zouden verminderen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er sprake was van ongelijke behandeling tussen eigenwoningbezitters met overwaarde en personen met vermogen in andere vormen, zoals hijzelf.
De Raad oordeelde dat de verruimde vrijlating van vermogen voor eigenwoningbezitters een gerechtvaardigd en geschikt middel is om het doel van de regeling te bereiken. Tevens stelde de Raad vast dat de grief van appellant, hoewel pas in hoger beroep kenbaar gemaakt, niet in strijd was met de regels van goede procesorde omdat gedaagde voldoende gelegenheid had gehad om hierop te reageren. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsuitkering wordt beëindigd omdat het vermogen van appellant het vrij te laten vermogen overschrijdt; de grief in hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.