ECLI:NL:CRVB:2010:BO2763
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens verzwegen vermogen zonder schending rechtszekerheidsbeginsel
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB sinds september 2004. Na een fraudesignaal en onderzoek door de sociale recherche concludeerde het College dat appellante vermogen verzwegen had, wat leidde tot herziening en terugvordering van bijstand over de periode 31 december 2004 tot en met 31 december 2005.
De rechtbank vernietigde het besluit deels en gaf het College opdracht een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar oordeel, waarbij de terugvordering beperkt werd tot een lager bedrag en een kortere periode. Het College beperkte de intrekking en terugvordering vervolgens tot de periode van 1 september 2004 tot 4 april 2005.
Appellante voerde aan dat het College haar bijstandsuitkering niet mocht terugvorderen over de periode van 1 september tot 31 december 2004 vanwege een toezegging en het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank liet dit verweer buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde. De Raad oordeelt dat de rechtbank dit mocht doen, maar beoordeelt het verweer alsnog inhoudelijk en stelt vast dat geen onvoorwaardelijke en specifieke toezegging is gedaan die terugvordering uitsluit. Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel faalt daarom en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens verzwegen vermogen en wijst het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel af.