ECLI:NL:CRVB:2002:AE0164
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- A. Beuker-Tilstra
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar mandateringsbesluit Ministerie van Justitie
Appellant, seniormedewerker bij het Ministerie van Justitie, stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die zijn beroep gegrond verklaarde en een mandateringsbesluit vernietigde. Het geschil betrof onder meer de ontvankelijkheid van zijn bezwaar tegen mandateringsbesluiten van 1997 en 1999.
De Raad oordeelde dat appellant door het mandateringsbesluit van 20 juni 1997 niet rechtstreeks in zijn belang werd getroffen en bevestigde de rechtbank in dit onderdeel. Ten aanzien van het mandateringsbesluit van 24 november 1999 was de Raad van oordeel dat appellant wel rechtstreeks in zijn belang was getroffen, zodat de rechtbank ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard. De Raad vernietigde dit deel van het vonnis.
Vervolgens stelde de Raad vast dat appellant het bezwaar tegen het mandateringsbesluit van 1999 buiten de bezwaartermijn had ingediend. Hoewel appellant stelde dat niet was gewezen op de bezwaarprocedure, oordeelde de Raad dat hij voldoende bekend was met de termijn en verklaarde het beroep alsnog ongegrond. Het bezwaar van 31 oktober 1997 werd terecht buiten behandeling gelaten omdat de situatie was opgelost door aanstelling van waarnemend-seniormedewerkers.
De Raad bevestigde het overige van de bestreden uitspraak en bepaalde dat appellant het betaalde griffierecht vergoed krijgt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard wegens termijnoverschrijding, met bevestiging van het overige van het bestreden vonnis.