ECLI:NL:CRVB:2002:AE2710
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling schuldig nalatigverklaring bij niet-betaling premie volksverzekeringen na faillissement
De Sociale verzekeringsbank (SVB) verklaarde betrokkene schuldig nalatig voor het niet betalen van de premie volksverzekeringen over de jaren 1992 tot en met 1995. Betrokkene was in 1996 failliet verklaard, wat relevant kan zijn voor de verwijtbaarheid van het niet betalen. De rechtbank vernietigde de besluiten van de SVB wegens onvoldoende en onzorgvuldige motivering en onderzoek naar de financiële situatie van betrokkene.
De SVB stelde in hoger beroep dat het aan betrokkene was om omstandigheden aan te voeren die het niet betalen niet aan hem konden worden toegerekend en dat het faillissement geen invloed had op de schuldige nalatigheid omdat betrokkene bewust prioriteit gaf aan andere schuldeisers. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de SVB wel degelijk een nader onderzoek had moeten instellen naar de omstandigheden rondom het faillissement en de financiële situatie ten tijde van de invorderbaarheid van de aanslagen.
De Raad benadrukte dat sinds de wetswijziging van 1993 de bewijslast bij betrokkene ligt om aan te tonen dat het niet betalen hem niet kan worden toegerekend, maar dat de SVB bij het noemen van relevante omstandigheden een zorgvuldig onderzoek moet verrichten. Het niet doen van dit onderzoek maakt de besluiten strijdig met het zorgvuldigheidsbeginsel van de Algemene wet bestuursrecht, waardoor de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven.
De Raad bevestigde daarom het vonnis van de rechtbank dat de besluiten vernietigt en oordeelde dat het hoger beroep van de SVB niet kan slagen. Tevens werd bepaald dat een griffierecht geheven wordt van € 327,-.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Sociale verzekeringsbank wordt afgewezen en de vernietiging van de besluiten wegens onvoldoende onderzoek en motivering bevestigd.