ECLI:NL:CRVB:2002:AE8409
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- P.G.M. Zwartkruis
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt sanctiebesluit WW wegens onvoldoende zorgvuldigheid en matigt sanctie
Appellant ontving vanaf 1993 een WW-uitkering die door werkzaamheden als uitzendkracht meerdere keren werd onderbroken. In 1995 werkte appellant tien weken zonder dit aan het UWV te melden. Na onderzoek legde het UWV een sanctie op van 30% verlaging van de uitkering gedurende 42 weken en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, maar in hoger beroep stelde appellant dat de sanctie onevenredig was en dat het UWV hem niet tijdig had geïnformeerd over de mogelijke sanctie. De Centrale Raad oordeelde dat appellant bewust fraudeerde, maar het UWV onvoldoende voortvarend was in het opleggen van de sanctie, waardoor de opgelegde sanctie niet stand kon houden.
De Raad matigde de sanctie tot 30% gedurende 21 weken en vernietigde het bestreden besluit. Tevens bepaalde de Raad dat het UWV de proceskosten van appellant moest vergoeden en het betaalde griffierecht moest terugbetalen. De terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkeringen werd bevestigd binnen de wettelijke termijn van vijf jaar.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de sanctie wordt gematigd tot 30% gedurende 21 weken; het UWV moet proceskosten vergoeden en het griffierecht terugbetalen.