ECLI:NL:CRVB:2003:AF6193
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, kreeg een WAO-uitkering toegekend wegens volledige arbeidsongeschiktheid na uitval door surmenage en andere klachten. Op 18 juni 1999 trok het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) haar uitkering in, omdat haar arbeidsongeschiktheid volgens hen minder dan 15% bedroeg. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch oordeel van de verzekeringsarts, die rekening hield met de neuroloog, niet was overschat en dat er geen aanwijzingen waren voor ernstiger beperkingen op de peildatum. Het latere rapport van een orthopedisch chirurg werd niet doorslaggevend geacht vanwege de latere datum.
Wat betreft de arbeidskundige beoordeling concludeerde de Raad dat de functies die appellante kon verrichten in overeenstemming waren met haar belastbaarheid. De Raad verwierp het standpunt van appellante dat het UWV het beleid omtrent functieselectie onjuist had toegepast, en vond de toegepaste methode rechtens aanvaardbaar.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en zag geen reden om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De intrekking van de WAO-uitkering per 24 juni 1999 blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% wordt bevestigd.