ECLI:NL:CRVB:2003:AI0421
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid bestuurder voor premieschulden wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur
Appellant was bestuurder van een BV die failliet werd verklaard en stelde tijdig betalingsonmacht vast. Desondanks stelde het uitvoeringsorgaan hem hoofdelijk aansprakelijk voor onbetaalde premies en boetes over 1997 en 1998 op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat hij onvoldoende adequaat heeft gereageerd op de slechte financiële situatie van de BV en dat het opnemen van geld bij betaalautomaten geen duurzame oplossing was. De Raad onderschrijft dit oordeel en wijst erop dat appellant als bestuurder verantwoordelijk is voor de financiële situatie en het nemen van passende maatregelen.
Ook de aansprakelijkheid voor premies uit de periode vóór zijn bestuurderschap werd bevestigd, aangezien appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat er onvoldoende geld was om deze premies te voldoen. De Raad ziet geen aanleiding tot aanhouding van de zaak ondanks een lopende strafprocedure en bevestigt het bestreden besluit.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de hoofdelijke aansprakelijkheid van appellant voor onbetaalde premies en boetes wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur.