ECLI:NL:CRVB:2003:AI0647
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boetes op nihil wegens overschrijding redelijke termijn in sociale zekerheidszaak
Appellante, een vennootschap onder firma, maakte bezwaar tegen correctie- en boetenota's over de jaren 1990 tot en met 1994 en andere besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Na eerdere gedeeltelijke vernietiging door de rechtbank Rotterdam nam het Uwv een nieuw besluit (besluit 2). De Raad toetste dit besluit in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat appellante niet aan haar administratieve verplichtingen had voldaan, waardoor het Uwv terecht de administratie verwierp en een schatting maakte van de verschuldigde premies. De Raad vond het onwaarschijnlijk dat taxichauffeurs het minimumloon ontvingen, mede gelet op verklaringen en toepasselijke CAO.
Belangrijk was de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De Raad stelde vast dat de besluitvorming over de correctie- en boetenota's ruim vijf jaar en negen maanden duurde, wat onrechtmatig was. Dit leidde tot vernietiging van het besluit voor zover het de correctienota's over 1990 en boetenota's over 1990-1994 betrof, en tot vaststelling van de boetes op nihil.
Het hoger beroep tegen besluit 1 werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang. Voor het overige werd het hoger beroep ongegrond verklaard. Het Uwv werd veroordeeld in de proceskosten en moest het griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Boetenota's over 1990-1994 worden vernietigd en op nihil gesteld wegens overschrijding redelijke termijn; overige bezwaren ongegrond.