ECLI:NL:CRVB:2003:AN9374
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Invordering onverschuldigd betaalde kinderbijslag en boete bij beëindiging huishouden
Appellant ontving kinderbijslag voor zijn kinderen, maar na vertrek van zijn echtgenote uit de echtelijke woning in oktober 1997 werd de kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal 1999 geschorst en later ingetrokken wegens het ontbreken van voldoende bewijs dat appellant zijn kinderen financieel ondersteunde. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze besluiten ongegrond, maar vernietigde een besluit over de hoogte van de boete en de wijze van invordering.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de breuk in het huishouden definitief was en dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn kinderen in belangrijke mate heeft onderhouden. De terugvordering van de onverschuldigde kinderbijslag en de boete zijn terecht opgelegd. Wel oordeelt de Raad dat de wijze van invordering onvoldoende is getoetst aan de beslagvrije voet en vernietigt dit onderdeel van het besluit.
De Raad wijst erop dat appellant bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit inclusief de wijze van invordering en dat het stilzwijgen van appellant op verzoeken om betalingsvoorstellen niet kan worden opgevat als weigering tot het verstrekken van inkomensgegevens. De Raad veroordeelt de Sociale Verzekeringsbank tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Terugvordering en boete bevestigd, wijze van invordering vernietigd wegens onvoldoende toetsing van inkomen.