ECLI:NL:CRVB:2003:AO4502
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Ontzegging WW-uitkering wegens niet tijdige aanvraag zonder bijzonder geval
Gedaagde was van 22 oktober 1987 tot 1 maart 1999 in dienst bij een bedrijf en werd op laatstgenoemde datum ontslagen. Hij vroeg op 11 januari 2000 een WW-uitkering aan, waarbij hij verklaarde de aanvraag niet eerder te hebben gedaan vanwege een depressie met apathie en suïcidepogingen. De UWV ontzegde de uitkering over de periode 1 maart 1999 tot 6 juli 1999 omdat het recht op uitkering niet meer vastgesteld kon worden en paste een korting van 20% toe wegens te late aanvraag.
De rechtbank Assen verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat mogelijk sprake was van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 23 van Pro de WW. In hoger beroep betwistte het UWV dit en voerde aan dat de bezwaarverzekeringsarts had vastgesteld dat gedaagde geestelijk in staat was tijdig een aanvraag te doen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het begrip 'bijzonder geval' restrictief moet worden uitgelegd en dat het UWV op goede gronden kon concluderen dat geen bijzonder geval aanwezig was. De Raad achtte het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts voldoende onderbouwd en vond geen aanleiding tot benoeming van een deskundige. Ook de omstandigheden rondom de arbeidsongeschiktheid en het feit dat gedaagde vanaf 30 augustus 1999 weer werkte, ondersteunden dit oordeel.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waarmee het besluit van het UWV tot ontzegging van de WW-uitkering en de korting rechtsgeldig bleef.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de ontzegging van de WW-uitkering wegens het ontbreken van een bijzonder geval.