ECLI:NL:CRVB:2008:BD3340
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijzonder geval bij weigering WW-uitkering na faillissement werkgever
Appellant was van april 2003 tot april 2004 in dienst bij een werkgever die in november 2004 failliet werd verklaard. Na een langdurige loonvorderingsprocedure die in augustus 2006 in het voordeel van appellant werd beslist, vroeg hij in september 2006 een WW-uitkering aan. Het UWV wees deze aanvraag af omdat deze niet binnen 26 weken na het faillissement was ingediend en er geen sprake was van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 23 van Pro de WW.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het begrip 'bijzonder geval' restrictief moet worden uitgelegd. Appellant stelde dat het indienen van de aanvraag pas zinvol was nadat het vonnis van de kantonrechter was gewezen, vanwege de betwisting van de loonvordering door de werkgever. Ook wees hij op de lange duur van de procedure, het late tijdstip van kennisname van het faillissement en de agressieve houding van de werkgever.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. Zij overweegt dat alleen feiten die direct hebben geleid tot de te late indiening in aanmerking komen en dat de argumenten van appellant niet tot een bijzonder geval leiden. De Raad benadrukt dat voor een aanvraag voldoende is dat de werknemer een loonvordering meent te hebben en dat het UWV een zelfstandig oordeel vormt. De formele termijn van 26 weken is niet overschreden in bijzondere omstandigheden, zodat de weigering van de uitkering terecht is.
Uitkomst: De aanvraag van de WW-uitkering is terecht geweigerd omdat deze niet binnen 26 weken na het faillissement is ingediend en geen sprake is van een bijzonder geval.