ECLI:NL:CRVB:2004:AO6385
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- Th.C. van Sloten
- R.M. van Male
- Rechtspraak.nl
Vernietiging herzieningsbesluit en bevestiging terugvordering bijstandskosten wegens schending inlichtingenplicht
Appellante ontving vanaf 1991 een uitkering op grond van de Rijksgroepsregeling werkeloze werknemers, berekend naar de norm voor gehuwden. In 1998 werd de uitkering herzien omdat haar ex-echtgenoot meerdere WW-uitkeringen ontving die niet waren gemeld, waarna de kosten van bijstand mede van appellante werden teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze terugvordering ongegrond, oordeelde dat zij de inlichtingenplicht had geschonden en hoofdelijk aansprakelijk was.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij niets wist van de inkomsten van haar ex-echtgenoot, dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien en dat de zesmaanden-jurisprudentie van toepassing was. De Raad constateerde dat het herzieningsbesluit van 9 juni 2000 onjuist was gebaseerd op een niet van toepassing zijnde wetsbepaling en vernietigde dit deel van het besluit. De Raad bevestigde echter dat de terugvordering terecht was en dat de zesmaanden-jurisprudentie niet van toepassing was vanwege het imperatieve karakter van de terugvorderingsbepalingen.
De Raad oordeelde dat de schending van de inlichtingenplicht niet meer inhoudelijk ter discussie stond omdat daartegen geen hoger beroep was ingesteld. Ook zag de Raad geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. De rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit bleven in stand. Tot slot veroordeelde de Raad gedaagde in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het griffierecht werd vergoed.
Uitkomst: Het herzieningsbesluit van 9 juni 2000 wordt vernietigd, terugvordering van bijstandskosten blijft gehandhaafd en gedaagde wordt veroordeeld in proceskosten.