ECLI:NL:CRVB:2004:AO9652
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- T. Hoogenboom
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Herziening systematiek verrekening reservering vakantie-uren met wachtgeld
Gedaagde ontvangt sinds 1994 wachtgelduitkering op grond van het Rijkswachtgeldbesluit 1959. Na werkzaamheden via een uitzendbureau werden inkomsten, inclusief een reservering voor vakantie-uren, maandelijks verrekend met het wachtgeld. Gedaagde maakte bezwaar tegen deze systematiek omdat de reserveringen niet daadwerkelijk werden uitbetaald, wat leidde tot een lagere wachtgelduitkering en belemmerde opname van verlof.
De rechtbank Arnhem oordeelde dat verlofuren moeten worden toegerekend aan de maand waarin ze daadwerkelijk worden opgenomen en uitbetaald, en vernietigde het besluit van de minister. De minister stelde in hoger beroep dat de reserveringen onder het begrip inkomsten vallen en maandelijks bij het loon moeten worden opgeteld.
De Raad overwoog dat conform de CAO voor uitzendkrachten de reserveringen voor vakantiedagen pas bij opname van vakantie of einde uitzendovereenkomst worden uitbetaald. Pas dan zijn deze reserveringen als genoten inkomsten aan te merken. De Raad verwierp het standpunt van de minister dat de reserveringen maandelijks moeten worden meegenomen in de verrekening met het wachtgeld.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt afgewezen en de systematiek van verrekening van reserveringen voor vakantie-uren met het wachtgeld moet worden herzien.