ECLI:NL:CRVB:2004:AP0553
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- A.B.J. van der Ham
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens niet-rechtmatig verblijf niet onrechtmatig verklaard
Appellant, van Iraanse nationaliteit, vroeg vanaf 1993 meerdere malen een verblijfsvergunning aan, welke steeds werden afgewezen. Sinds 1993 ontving hij bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). In 2000 werd de uitkering opgeschort en later beëindigd wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf en het niet verstrekken van benodigde informatie.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de beëindiging gegrond en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen. Dit nieuwe besluit bevestigde de beëindiging van de uitkering omdat appellant niet rechtmatig in Nederland verbleef. Appellant stelde zich op het standpunt dat dit besluit onrechtmatig was en dat de beëindiging in strijd was met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
De Raad oordeelt dat appellant ten tijde van het besluit geen recht had op bijstand omdat hij geen rechtmatig verblijfsrecht had volgens de toen geldende vreemdelingenwetgeving. De Koppelingswetgeving is hier van toepassing en wordt niet in strijd geacht met artikel 26 IVBPR Pro. Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de bijstand wordt bevestigd.
Uitkomst: De beëindiging van de bijstandsuitkering wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.