ECLI:NL:CRVB:2004:AQ2576
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars wegens ontbreken kunstenaarsstatus
Appellant, die een uitkering ontvangt op grond van de Algemene bijstandswet, heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik). Het Voorzieningenfonds voor Kunstenaars (VvK) heeft een advies uitgebracht waarin werd geconcludeerd dat appellant niet als kunstenaar in de zin van de wet kan worden aangemerkt. Gedaagde heeft de aanvraag daarop afgewezen.
De Raad heeft het advies van het VvK als zorgvuldig en op juiste gronden tot stand gekomen beoordeeld. Het advies baseerde zich op een aantal objectieve ijkpunten zoals de aard en bestendigheid van de kunstproducties, beroepsopleiding, en het inkomen uit de kunst. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het advies onjuist is of gebaseerd op onjuiste gegevens.
Hoewel appellant wegens ziekte tijdelijk niet kon produceren en zijn werkzaamheden als kunstenaar dateren van vóór 1996, gaat het in deze zaak om de periode direct voorafgaand aan de aanvraag in november 1999. De Raad acht de afwijzing terecht omdat appellant in die periode niet als kunstenaar werkzaam was.
Verder is geoordeeld dat appellant niet in zijn belangen is geschaad doordat hij voorafgaand aan het besluit geen gelegenheid kreeg te reageren op het VvK-advies, omdat hij in de bezwaar- en beroepsfase voldoende gelegenheid heeft gehad om inhoudelijke bezwaren aan te voeren.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het besluit van gedaagde en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars wordt afgewezen omdat appellant niet als kunstenaar in de zin van de wet wordt aangemerkt.