ECLI:NL:CRVB:2004:AQ5343

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/264 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 AbwArt. 41 AbwKoninklijk Besluit 24 oktober 1996 Stb. 541Artikel 2b Bijdrageregeling ziekenfondsverzekeringArtikel 1 Bijdrageregeling ziekenfondsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzoek bijzondere bijstand voor ziekenfondseigen bijdrage 1998

Appellant en zijn echtgenote ontvingen een bijstandsuitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Appellant verzocht bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage die hij in 1998 aan het ziekenfonds moest betalen volgens de Bijdrageregeling ziekenfondsverzekering. Dit verzoek werd door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam afgewezen, waarna gedeeltelijke bijstand werd toegekend.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de eigen bijdrage bijzondere omstandigheden betrof die bijzondere bijstand rechtvaardigden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat hoewel de eigen bijdrage een noodzakelijke kostenpost is, deze niet voortvloeit uit bijzondere individuele omstandigheden zoals bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Abw.

Daarom was het college niet bevoegd om bijzondere bijstand toe te kennen voor deze kosten. De gedeeltelijke toekenning van f 64,77 was dus niet onrechtmatig. Ook het beroep op artikel 41 van Pro de Abw en gemeentelijke beleidsregels werd niet verder behandeld. De Raad wees het verzoek tot vergoeding van renteschade af en veroordeelde het college niet in de proceskosten.

Uitkomst: De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

02/264 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam op 11 december 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg. nr. 99/3413 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 5 juli 2004, waar appellant en zijn gemachtigde niet zijn verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant en zijn echtgenote ontvingen een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden. Op 20 januari 1999 heeft appellant gedaagde om bijzondere bijstand verzocht voor de op grond van de Bijdrageregeling ziekenfondsverzekering (Stcrt. 1996, 224) over 1998 aan zijn ziekenfonds verschuldigde eigen bijdrage. Bij besluit van 3 februari 1999 heeft gedaagde de aanvraag afgewezen. Bij besluit van 18 mei 1999 heeft gedaagde het tegen dit besluit gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 3 februari 1999 ingetrokken en bepaald dat tot een bedrag van f 64,77 in de kosten van de algemene eigen bijdrage bijstand wordt verleend.
Bij de aangevallen uitspraak - voorzover hier van belang - heeft de rechtbank het tegen het besluit van 18 mei 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 39, eerste lid (oud), van de Abw is bepaald dat, onverminderd hoofdstuk II, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voorzover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.
Het met het Koninklijk Besluit van 24 oktober 1996, Stb. 541, in de ziekenfondsverzekering ingevoerde (en inmiddels weer ingetrokken) algemene bijdragesysteem hield in hoofdlijn in een eigen bijdrage van 20% van de kosten van verstrekkingen tot een maximum van f 200,-- voor de verzekerde en zijn medeverzekerden per kalenderjaar. Voor sommige categorieën verzekerden gold een maximum van f 100,-- per kalenderjaar. Op grond van artikel 2b van genoemd Besluit in verbinding met artikel 1, eerste lid, van de Bijdrageregeling ziekenfondsverzekering gold dit maximum onder meer voor verzekerden die algemene bijstand ingevolge de Abw ontvangen. Naar het oordeel van de Raad zijn de kosten van de hier aan de orde zijnde algemene eigen bijdrage weliswaar noodzakelijke kosten van het bestaan, maar kan niet worden gezegd dat deze kosten voortvloeien uit bijzondere (individuele) omstandigheden als bedoeld in artikel 39, eerste lid (oud), van de Abw.
Het vorenstaande houdt in dat gedaagde niet bevoegd was bijzondere bijstand toe te kennen voor de onderhavige kosten. Door niettemin bijzondere bijstand tot een bedrag van f 64,71 toe te kennen, is appellant niet tekort gedaan.
Hetgeen namens appellant is aangevoerd omtrent het niet toepassing geven aan artikel 41 van Pro de Abw en de gemeentelijke beleidsregels inzake bijstandsverlening voor voornoemde algemene eigen bijdrage behoeft, gelet op het vorenstaande, in dit geding geen verdere bespreking.
Met inachtneming van het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, te worden bevestigd.
Nu het besluit van 18 mei 1999 in rechte stand houdt, is voor de gevraagde veroordeling tot vergoeding van renteschade geen ruimte.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2004.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) I.D. Veldman.
TG07072004