ECLI:NL:CRVB:2004:AQ6577
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van ziekengeldperiodes bij vaststelling duur werkloosheidsuitkering na bevalling
Appellante ontving sinds 1994 een WW-uitkering en genoot gedurende diverse periodes ziekengeld, waaronder periodes in verband met bevalling. De uitkeringsduur werd verlengd met de tijdvakken waarin zij ziekengeld ontving, waarbij volledige periodes van ziekengeld wegens bevalling werden meegeteld, maar daarop aansluitende arbeidsongeschiktheid alleen als deze langer dan drie maanden duurde.
Appellante maakte bezwaar tegen de weigering van een nieuwe WW-uitkering na een periode van arbeidsongeschiktheid, stellende dat ook de aansluitende periodes van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van zwangerschap en bevalling volledig meegeteld moesten worden. De rechtbank vernietigde het besluit wegens motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep betoogde appellante dat de gedeeltelijke niet-meetelling van deze periodes een ongerechtvaardigd onderscheid tussen mannen en vrouwen vormt, in strijd met diverse internationale verdragen en het EVRM. De Raad oordeelde dat de regelgeving niet in strijd is met het discriminatieverbod zoals neergelegd in artikel 4 van Pro Richtlijn 79/7, artikel 14 EVRM Pro en artikel 26 IVBPR Pro.
De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin ziekteperiodes na bevalling als normale ziekte werden beschouwd en concludeerde dat de regeling geen nadelige behandeling inhoudt ten opzichte van andere verzekerden. Het beroep op andere verdragen werd niet gegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de bestreden uitspraak en wees toepassing van artikel 8:75 Awb Pro af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat aansluitende arbeidsongeschiktheidsperiodes na ziekengeld wegens bevalling slechts gedeeltelijk meetellen bij de duur van de WW-uitkering.