ECLI:NL:CRVB:2004:AQ6874
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- P.C. de Wit
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens ontbreken geldige verblijfsstatus niet in strijd met internationaal recht
De zaak betreft de intrekking van een bijstandsuitkering aan een gedaagde van Turkse nationaliteit, die geen geldige verblijfsstatus bezat. De uitkering werd beëindigd omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden van de Vreemdelingenwet en de Algemene bijstandswet (Abw).
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de intrekking in strijd was met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), omdat gedaagde in afwachting was van een definitieve beslissing op haar verblijfsvergunningaanvraag. De Centrale Raad van Beroep heropende het onderzoek en oordeelde dat de Koppelingswetgeving rechtmatig is toegepast en dat de intrekking niet in strijd is met internationaal recht.
De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin werd bepaald dat de Koppelingswet in beginsel toelaatbaar is, behalve voor vreemdelingen die onder de oude regeling al bijstand ontvingen. Gedaagde viel niet onder deze uitzondering. Ook werd geoordeeld dat geen strijd bestaat met het Europees Verdrag voor Sociale en Medische Bijstand, omdat gedaagde niet beschikte over een rechtmatige verblijfsvergunning.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens het ontbreken van een geldige verblijfsstatus is niet in strijd met internationaal recht en wordt bevestigd.