ECLI:NL:CRVB:2001:AD3848
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering vreemdeling na afwijzing verblijfsvergunning
Verzoekster, van Turkse nationaliteit, diende in maart 1997 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning die in juni 1998 werd afgewezen. Na meerdere procedures en een beroep bij de rechtbank, werd het bezwaar tegen de afwijzing ongegrond verklaard. Verzoekster ontving aanvankelijk bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw), ook na invoering van de Koppelingswet in 1998, omdat zij in afwachting was van een beslissing op haar verblijfsaanvraag.
Na definitieve afwijzing van haar verblijfsaanvraag en het beroep daarop, beëindigde de gemeente Maastricht haar bijstandsuitkering per 1 augustus 2000. Verzoekster maakte bezwaar tegen deze beëindiging, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoekster tegen deze beslissing eveneens ongegrond, met verwijzing naar de toepasselijkheid van de Koppelingswet en het ontbreken van rechtmatig verblijf.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat verzoekster geen recht meer kon doen gelden op bijstand omdat zij geen rechtmatig verblijf had en niet gelijkgesteld kon worden aan een Nederlander. Het beroep op internationale verdragen zoals het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Europees Verdrag betreffende Sociale en Medische bijstand werd verworpen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat er geen gronden waren om de uitkering voort te zetten.
Uitkomst: De bijstandsuitkering van verzoekster wordt beëindigd wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf en het beroep wordt ongegrond verklaard.