ECLI:NL:CRVB:2004:AQ7028
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- H.Th. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens benadelingshandeling bij niet-vragen vergoeding opzegtermijn
De zaak betreft een geschil over de weigering van een WW-uitkering aan gedaagde omdat zij geen schadevergoeding had geëist over de opzegtermijn die in acht genomen had moeten worden. Appellant, het UWV, stelde dat gedaagde een benadelingshandeling had gepleegd door deze vergoeding niet te vragen, waardoor zij onterecht een uitkering ontving.
De rechtbank had het bezwaar van gedaagde gegrond verklaard wegens het ontbreken van een wettelijke basis voor de maatregel. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat er wel een wettelijke grondslag was, mede door een wetswijziging met terugwerkende kracht. De Raad stelt dat gedaagde onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van haar instemming met de ontbinding zonder vergoeding te vragen, ondanks haar kennis van de financiële situatie van de werkgever.
De Raad overweegt dat het niet vragen van een vergoeding in deze omstandigheden als een benadelingshandeling kan worden aangemerkt, maar erkent dat gedaagde in verminderde mate verwijtbaar is. De Raad vernietigt het bestreden besluit en beveelt appellant een nieuw besluit te nemen, waarbij ook het verzoek van gedaagde om vergoeding van renteschade betrokken moet worden. Tevens wordt appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en appellant dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij de benadelingshandeling wordt bevestigd en het verzoek om renteschade wordt betrokken.