ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8856
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking bijstandsuitkering wegens niet tijdige verlenging verblijfsvergunning
Appellant, een Liberiaanse vreemdeling, had een verblijfsvergunning die op 24 juli 1998 verliep. Hij vroeg pas op 12 maart 1999 om verlenging, wat niet tijdig was. De bijstand werd daarom ingetrokken op grond van artikel 7 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw). De Raad overwoog dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was verklaard door de bevoegde IND, waardoor appellant geen recht meer had op bijstand.
De rechtbank had het bezwaar en beroep van appellant tegen de intrekking ongegrond verklaard, en de Raad bevestigde dit oordeel. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten werd verworpen omdat geen sprake was van ongerechtvaardigd onderscheid.
Verder oordeelde de Raad dat er geen dringende redenen waren om af te zien van intrekking of terugvordering van de bijstandskosten. Het verzoek van appellant tot schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering en terugvordering zijn terecht; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.