ECLI:NL:CRVB:2004:AR2302
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering bijzondere bijstand borgtocht en dringende redenen
Het geschil betreft de terugvordering van bijzondere bijstand die appellant, de gemeente Lichtenvoorde, aan gedaagde heeft verstrekt als borgtocht voor een lening bij de Intergemeentelijke Kredietbank. Gedaagde ontving vanaf 1996 een bijstandsuitkering en kreeg bijzondere bijstand voor borgtocht en aflossing van een lening voor woninginrichting en baby-uitzet. Na beëindiging van de uitkering ontstond betalingsachterstand bij de lening, waarop appellant het borgstellingsbedrag heeft betaald en dit bedrag vervolgens van gedaagde heeft teruggevorderd.
De rechtbank had het bezwaar van gedaagde tegen deze terugvordering gegrond verklaard omdat appellant niet had onderzocht of dringende redenen bestonden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Appellant stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat dit niet nodig was. De Raad oordeelt dat artikel 78, derde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) ook bij terugvordering op grond van artikel 83, tweede lid, Abw moet worden toegepast.
De Raad stelt vast dat gedaagde niet heeft aangetoond dat sprake is van dringende redenen in de zin van onaanvaardbare sociale of financiële consequenties die een individuele afweging rechtvaardigen. Ook is geen sprake van een toezegging van appellant die het vertrouwensbeginsel zou rechtvaardigen. De Raad verklaart het beroep ongegrond, bevestigt het eerdere oordeel van de rechtbank en veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het besluit tot terugvordering van bijzondere bijstand wordt ongegrond verklaard en appellant wordt veroordeeld in de proceskosten.