ECLI:NL:CRVB:2004:AR3424
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag onterecht wegens rechtmatig verblijf van Ghanezen
Appellanten, van Ghanese nationaliteit, hadden een aanvraag ingediend voor bijstand op grond van de Algemene Bijstandswet (Abw), welke door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage was afgewezen omdat zij niet rechtmatig in Nederland verbleven. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en verwierp het beroep op artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat appellanten achteraf bezien ten tijde van belang rechtmatig in Nederland verbleven. Dit bleek uit verblijfsvergunningen die met terugwerkende kracht waren verleend en verlengd, waardoor zij op grond van artikel 7, tweede lid, van de Abw met een Nederlander gelijkgesteld moesten worden.
De Raad oordeelde dat het besluit van 23 februari 2001, dat de bijstand afwees, niet stand kon houden wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het besluit en de uitspraak van de rechtbank werden vernietigd. De gemeente werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het nemen van een nieuw besluit op bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt vernietigd omdat appellanten rechtmatig in Nederland verbleven en gelijkgesteld moesten worden met Nederlanders.