ECLI:NL:CRVB:2004:AR3953
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering aan haar ex-echtgenoot, gebaseerd op het verzwegen bestaan van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders.
De Raad stelde vast dat onvoldoende bewijs was voor de vereiste wederzijdse verzorging die noodzakelijk is voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding in de zin van de Algemene bijstandswet (ABW). Hierdoor was het besluit tot terugvordering over de periode van 1 november 1995 tot 1 december 1996 niet gerechtvaardigd.
Wel was voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering over de periode van 1 december 1996 tot en met 31 december 1997. De Raad vernietigde het eerdere besluit en beval de gemeente Amsterdam een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze overwegingen. Tevens werd de gemeente veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van 28 september 2001 vernietigd, met opdracht tot een nieuw besluit op bezwaar.