ECLI:NL:CRVB:2004:AR3957
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand volgens de norm voor een alleenstaande ouder na scheiding, maar gedaagde stelde na onderzoek dat zij met haar ex-echtgenoot een gezamenlijke huishouding voerde en herzag de uitkering over 1 november 1995 tot 31 december 1997.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, maar vernietigde later het besluit deels en matigde het terug te vorderen bedrag. In hoger beroep oordeelt de Raad dat voor de periode 1 november 1995 tot 1 juni 1996 onvoldoende bewijs is voor gezamenlijke huishouding, waardoor intrekking en terugvordering onterecht zijn.
Voor de periode 1 juni 1996 tot 31 december 1997 is wel voldaan aan de voorwaarden van gezamenlijke huishouding, waardoor terugvordering gerechtvaardigd is. De Raad beveelt een nieuw besluit op bezwaar en veroordeelt gedaagde in proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor de periode 1 november 1995 tot 1 juni 1996 en het terugvorderen van bijstand over die periode wordt vernietigd, terwijl de terugvordering over 1 juni 1996 tot 31 december 1997 gehandhaafd blijft.