ECLI:NL:CRVB:2004:AR8130
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.M. van Male
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening ouderdomspensioen bij gezamenlijke huishouding met stiefzoon
Appellante, die sinds 1 maart 2001 een ouderdomspensioen ontving volgens de norm voor een ongehuwde, woont samen met haar meerderjarige stiefzoon. De Sociale Verzekeringsbank stelde vast dat zij een gezamenlijke huishouding voeren en herzag het pensioen naar de norm voor samenwonenden met een meerderjarige. Tevens werd een toeslag geweigerd vanwege het inkomen van de stiefzoon.
Appellante maakte bezwaar en ging in beroep, stellende dat haar stiefzoon in het kader van de Algemene nabestaandenwet gelijkgesteld is met een bloedverwant in de eerste graad, en dat dit onderscheid binnen de AOW niet gerechtvaardigd is. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en ook in hoger beroep werd dit standpunt verworpen.
De Raad overwoog dat het onderscheid tussen bloedverwanten en aanverwanten binnen de AOW op objectieve en redelijke gronden berust en geen verboden discriminatie inhoudt. De verschillende doelstellingen van de Anw en de AOW rechtvaardigen het verschil in behandeling. Het beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De herziening van het ouderdomspensioen naar de norm voor een gezamenlijke huishouding met een meerderjarige stiefzoon wordt bevestigd.