ECLI:NL:CRVB:2004:AR8541
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde WAO-uitkering zonder dringende redenen
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-voorschotten over de periode van 24 maart 1999 tot 1 februari 2000. De Raad van bestuur van het Uwv had dit bedrag van ruim €4.500 teruggevorderd. Appellante voerde aan dat het bedrag niet gespecificeerd was, dat zij mogelijk toch recht had op een WAO-uitkering wegens een herzieningsverzoek, en dat zij niet was gewezen op de mogelijkheid een WW-uitkering aan te vragen.
De Raad constateerde dat appellante deze bezwaren niet langer handhaafde en dat zij geen bezwaar had gemaakt tegen de besluiten die haar WAO-recht ontzegd hadden. De rechtbank had reeds geoordeeld dat het voorschot onverschuldigd was betaald en dat terugvordering verplicht was op grond van artikel 57 WAO Pro. Dringende redenen om van terugvordering af te zien, zoals onaanvaardbare financiële of sociale consequenties, waren niet aannemelijk gemaakt.
De Raad benadrukte dat appellante wel degelijk was geïnformeerd over de mogelijkheid om een WW-uitkering aan te vragen en dat zij hier pas laat gebruik van maakte. Ook administratieve vertragingen door het Uwv vormden geen dringende reden. Gelet op deze overwegingen werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De terugvordering van het onverschuldigd betaalde WAO-voorschot wordt bevestigd omdat geen dringende redenen voor kwijtschelding zijn aangetoond.