ECLI:NL:CRVB:2004:AS2104
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering en terugvordering wegens vermeende gezamenlijke huishouding niet gegrond verklaard
Appellante ontving een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder, die werd ingetrokken en teruggevorderd op grond van het vermoeden dat zij met appellant een gezamenlijke huishouding voerde. De Sociale Recherche voerde een onderzoek uit, maar de Raad concludeert dat appellanten niet voldeden aan het criterium van hoofdverblijf in dezelfde woning, essentieel voor gezamenlijke huishouding volgens artikel 3, derde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw).
De Raad oordeelt dat appellante en appellant niet als gehuwden werden aangemerkt in de relevante periode en dat de woonboot van appellante tegenover de woning van appellant onvoldoende basis bood voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding. De bevindingen van de Sociale Recherche en verklaringen van partijen waren onvoldoende overtuigend om het besluit tot intrekking en terugvordering te rechtvaardigen.
Daarnaast werd vastgesteld dat appellante de inlichtingenverplichting niet had geschonden, waardoor ook de opgelegde boete niet standhoudt. De Raad vernietigt het besluit van 6 april 2000 en herroept de eerdere besluiten tot intrekking en boete. Tevens oordeelt de Raad dat de redelijke termijn voor de procedure is overschreden en veroordeelt de gemeente Eemsmond in de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering, terugvordering van kosten en boete wordt vernietigd wegens ontbreken van gezamenlijke huishouding.