ECLI:NL:CRVB:2004:AS2355
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. ‘t Hooft
- R.M. van Male
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding discusprothese onder Interprovinciale Ziektekostenregeling
Appellante verzocht vergoeding van een discusprothese-operatie, uitgevoerd in Duitsland, omdat zij in Nederland was uitbehandeld voor chronische rugklachten. Het dagelijks bestuur van de Interprovinciale Ziektekostenregeling (IZR) wees de aanvraag af omdat de behandeling niet tot het gangbare terrein van de geneeskunde werd gerekend.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar de Raad bevestigde dat de behandeling in de periode mei tot november 2001 niet voldoende wetenschappelijk was onderbouwd en als experimenteel werd beschouwd. De vergoeding was destijds onterecht verleend omdat de behandeling werd gedeclareerd als ventrale spondylodese.
De Raad nam mee dat internationale wetenschappelijke consensus en betrouwbare lange termijnonderzoeken ontbraken, en dat de vergoeding door buitenlandse ziektekostenverzekeraars niet voldoende bewijs vormde voor gangbaarheid. De hardheidsclausule werd niet van toepassing geacht omdat de behandeling niet medisch strikt noodzakelijk was.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van 13 november 2002, waarmee de vergoeding werd geweigerd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de vergoeding van de discusprothese wordt geweigerd.