ECLI:NL:CRVB:2004:AS3350
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. ’t Hooft
- R.M. van Male
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding discusprothese wegens gebrek aan gebruikelijkheid in medische kring
Appellante leed sinds 1991 aan rugklachten en werd vanaf 1994 door verschillende orthopedisch chirurgen behandeld. In 2000 werd geadviseerd een conservatief beleid te volgen. Appellante onderging vervolgens in Duitsland een operatie waarbij een discusprothese werd geplaatst. Zij verzocht vergoeding van de kosten bij haar ziektekostenverzekeraar, die dit afwees omdat de behandeling niet als gebruikelijk werd beschouwd.
De Centrale Raad van Beroep onderzocht of het plaatsen van een discusprothese binnen de kring van beroepsgenoten als gebruikelijke geneeskundige hulp kan worden aangemerkt. Appellante stelde dat de behandeling internationaal werd toegepast en vergoed, en verwees naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
De Raad oordeelde dat op het moment van de behandeling (september 2000 tot juni 2001) de discusprothese nog onvoldoende was beproefd en niet als gebruikelijk kon worden beschouwd. Vergoedingen in Nederland waren onterecht toegekend onder een andere code en internationale vergoedingen konden niet als bewijs dienen zonder inzicht in de medische beoordeling daarvan. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat de vermeende gelijke gevallen niet vergelijkbaar waren.
De Raad bevestigde het eerdere besluit van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er waren geen gronden voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door voorzitter M.I. ’t Hooft en leden R.M. van Male en G.M.T. Berkel-Kikkert op 29 december 2004.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering tot vergoeding van de discusprothese wordt bevestigd.