ECLI:NL:CRVB:2004:AT4115
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken geschil over opgelegde maatregel WW-uitkering
Gedaagde was sinds 1993 in dienst als bouwkundig tekenaar en meldde zich in 1998 en opnieuw in 1999 ziek met klachten gerelateerd aan spanningen op het werk. Een bedrijfsarts stelde vast dat gedaagde vanwege stress niet kon terugkeren bij zijn werkgever en adviseerde een andere baan te zoeken. Gedaagde vond een nieuwe baan en beëindigde zijn dienstverband in oktober 1999.
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), weigerde de WW-uitkering omdat gedaagde verwijtbaar werkloos zou zijn geworden door het vroegtijdig beëindigen van het dienstverband. De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat van gedaagde niet kon worden verlangd het dienstverband voort te zetten gezien zijn medische situatie en uitzicht op ander werk.
In hoger beroep wijzigde appellant zijn standpunt en stelde niet langer dat de uitkering geweigerd moest worden op grond van verwijtbaarheid, maar dat gedaagde de dienstbetrekking te vroeg had beëindigd en daardoor het fonds had benadeeld. De Raad constateerde echter dat tussen partijen geen geschil meer bestaat over de opgelegde maatregel en dat geen nieuw besluit met maatregel is genomen. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk en veroordeelde appellant in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat geen geschil meer bestaat over de opgelegde maatregel.