ECLI:NL:CRVB:2005:AS3243
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellanten ontvingen bijstandsuitkeringen als alleenstaanden, terwijl zij sinds 1974 een gezamenlijke huishouding voerden. Uit onderzoek van de sociale recherche bleek dat zij inkomsten uit arbeid en handel in bromfietsen hadden verzwegen, evenals de aanwezigheid van contant geld en verdovende middelen in de woning.
Gedaagde schortte de uitkeringen op en trok deze met terugwerkende kracht in wegens schending van de inlichtingenverplichting. Tevens werd de bijstand herzien naar de norm voor een gezin en werd onverschuldigd betaalde bijstand teruggevorderd.
De Raad oordeelt dat de opschorting en intrekking terecht zijn, dat sprake is van een gezamenlijke huishouding en dat appellanten hun inlichtingenplicht hebben geschonden. De terugvordering is gegrond en de verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen.
De procedurele samenvoeging van de zaken is niet onzorgvuldig, en appellanten hebben geen dringende redenen aangevoerd om af te zien van intrekking of terugvordering. De uitspraken van de rechtbank worden bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht.