ECLI:NL:CRVB:2005:AS5689
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellanten waren gehuwd en voerden volgens het bestuursorgaan een gezamenlijke huishouding, wat gevolgen had voor de rechtmatigheid van de toegekende bijstandsuitkering aan appellante. Gedaagde besloot de bijstandsuitkering van appellante in te trekken en de kosten van bijstand terug te vorderen over de periode van 1 maart 1998 tot en met 31 juli 2001. Tevens werd het bedrag mede teruggevorderd van appellant.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep constateerde dat appellant niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard voor bezwaren tegen besluiten die hem niet direct betroffen. De Raad oordeelde dat appellanten vanaf 1 maart 1998 een gezamenlijke huishouding voerden, gelet op het hoofdverblijf op hetzelfde adres en het verbruik van energie dat overeenkwam met een tweepersoonshuishouden.
Verder werd vastgesteld dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden door het niet melden van de gezamenlijke huishouding, waardoor intrekking en terugvordering terecht waren. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. De Raad vernietigde delen van de eerdere uitspraak en veroordeelde de gemeente Veendam tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De Raad bevestigt intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht, vernietigt delen van eerdere uitspraak en veroordeelt gemeente in proceskosten.