ECLI:NL:CRVB:2005:AS5834
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet accepteren passend werk na arbeidsongeschiktheid
Appellant was van 1989 tot 2002 in dienst als journalist en was tussen 1998 en 2001 volledig arbeidsongeschikt. Na beëindiging van het dienstverband weigerde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) een WW-uitkering toe te kennen wegens het niet accepteren van passend werk. De rechtbank had het bezwaar tegen deze weigering ongegrond verklaard, waarbij werd geoordeeld dat de hoorplicht niet was geschonden en dat appellant een concreet passend werk had geweigerd.
Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd trad door te oordelen over verminderde verwijtbaarheid en dringende redenen zonder dat gedaagde zich hierover had uitgelaten. De Raad oordeelde dat het vonnis van de kantonrechter geen invloed had op de hoorplicht en dat de rechtbank terecht deze aspecten had betrokken in haar oordeel. Er was geen sprake van verminderde verwijtbaarheid of dringende redenen om af te zien van de maatregel.
De Raad bevestigde het bestreden besluit waarin de maatregel van blijvende gehele weigering van de WW-uitkering werd gehandhaafd. De hoorplicht was niet geschonden omdat appellant en zijn gemachtigde voldoende gelegenheid hadden gehad om gehoord te worden. De weigering van passend werk vond plaats terwijl appellant nog in dienst was, waardoor de weigering niet onder artikel 24 lid 1 sub b tweede Pro WW viel, maar onder sub b derde lid, met als gevolg de opgelegde maatregel.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens het niet accepteren van passend werk na arbeidsongeschiktheid.