ECLI:NL:CRVB:2005:AS8577
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering wegens detentie met onjuiste overgangstermijn niet rechtsgeldig
Appellant, die sinds 1987 arbeidsongeschikt is door een motorongeval, ontving een WAO-uitkering vastgesteld op 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid. Na een veroordeling tot 18 jaar gevangenisstraf werd zijn uitkering per 1 juni 2000 ingetrokken op grond van de Wet socialezekerheidsrechten gedetineerden (Wsg), met een overgangstermijn van slechts één maand.
Appellant verzocht om herziening van zijn uitkering wegens vermeende toename van zijn arbeidsongeschiktheid, maar dit werd afgewezen omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd. De Raad oordeelde dat de beoordeling van de toename onvoldoende arbeidskundig was onderbouwd en dat de overgangstermijn van één maand strijdig was met het Eerste Protocol bij het EVRM.
De Raad vernietigde het besluit tot intrekking van de uitkering en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen met inachtneming van een langere overgangstermijn. Tevens werd gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering met een overgangstermijn van één maand wordt vernietigd en gedaagde moet een nieuw besluit nemen.