ECLI:NL:CRVB:2005:AS8639
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na herbeoordeling
Appellant, werkzaam als keramisch decorateur, viel uit wegens knie- en rugklachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80-100% per 22 november 2000. De werkgever maakte bezwaar tegen deze toekenning en de uitbetalingstermijn vanwege te late aangifte.
Na bezwaar verklaarde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) de WAO-uitkering per 24 oktober 2001 ingetrokken op grond van artikel 36b WAO, omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en het UWV. Medisch deskundige Van der Tempel onderschreef het eerdere oordeel dat appellant niet zodanig beperkt is dat hij recht heeft op WAO. De arbeidsdeskundige voerde een herberekening uit van de resterende verdiencapaciteit op basis van passende functies en de methode van stap 3 van het Besluit uurloonschatting, wat leidde tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 12,3%.
De Raad oordeelde dat de selectie van functies en de toegepaste reductiefactoren correct waren en dat het medisch en arbeidskundig oordeel zorgvuldig en consistent was gemotiveerd. Er waren geen nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding gaven het eerdere oordeel te herzien. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 24 oktober 2001 wordt bevestigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.