ECLI:NL:CRVB:2005:AT0328
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering AOW wegens gezamenlijke huishouding ondanks bezwaar appellante
Appellante ontving vanaf 1 maart 1996 een AOW-pensioen berekend als ongehuwde. Na een onderzoek van de Sociale verzekeringsbank bleek dat zij vanaf 1 april 1997 een gezamenlijke huishouding voerde met haar partner. Op basis hiervan werd het pensioen herzien en het te veel betaalde bedrag teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarop zij hoger beroep instelde. De Centrale Raad van Beroep beoordeelde of sprake was van een gezamenlijke huishouding volgens de AOW-criteria, waarbij objectieve feiten en omstandigheden doorslaggevend zijn. De Raad concludeerde dat appellante en haar partner feitelijk samenwoonden en in elkaars verzorging voorzagen, ondanks inschrijving op verschillende adressen.
Appellante voerde aan dat haar verklaring onder druk was afgelegd, maar de Raad hechtte aan de verklaringen afgelegd voor de sociale recherche en verwierp het verweer. Ook stelde appellante dat terugvordering onredelijk was vanwege onduidelijke criteria en gebrek aan voorlichting, maar de Raad vond geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een veroordeling in proceskosten af. Partijen kunnen nog cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van te veel betaalde AOW wegens gezamenlijke huishouding vanaf 1 april 1997.