ECLI:NL:CRVB:2005:AT0373
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering ten onrechte verleende nabestaandenuitkering en ouderdomspensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds 1995 een pensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, later omgezet in een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding van een onderzoek van de Sociale verzekeringsbank werd vastgesteld dat appellant en zijn partner vanaf 1 april 1997 een gezamenlijke huishouding voerden. Dit leidde tot intrekking van de nabestaandenuitkering en herziening van het ouderdomspensioen.
De Raad toetste of sprake was van een gezamenlijke huishouding aan de hand van objectieve criteria: het hebben van hetzelfde hoofdverblijf en wederzijdse verzorging. Uit verklaringen van appellant en partner, alsmede het proces-verbaal van de sociale recherche, bleek dat zij afwisselend in elkaars woning verbleven, een gezamenlijke huishoudpot hadden en voor elkaar zorgden. De Raad verwierp de stelling van appellant dat de verklaring onder druk was afgelegd.
Omdat appellant de gezamenlijke huishouding niet had gemeld, werd de inlichtingenverplichting geschonden, waardoor ten onrechte uitkeringen werden toegekend. De Sociale verzekeringsbank was daarom bevoegd tot intrekking, herziening en terugvordering van de te veel betaalde bedragen. Dringende redenen om van terugvordering af te zien waren niet aannemelijk gemaakt. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de eerdere uitspraak.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van ten onrechte verleende uitkeringen bevestigd.