ECLI:NL:CRVB:2005:AT1856
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving sinds 13 maart 1992 een bijstandsuitkering, die vanaf 1 mei 1996 op de Algemene bijstandswet (Abw) was gebaseerd. Naar aanleiding van een onderzoek van de sociale recherche, ingegeven door vermoedens van betrokkenheid bij verdovende middelen en verblijf buiten de bijstandsgemeente, werd het recht op bijstand over de periode 1 januari 1996 tot 7 juni 2000 ingetrokken en de kosten teruggevorderd.
De rechtbank vernietigde het besluit voor de periode 1 januari 1996 tot 1 juli 1997, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit voor het overige. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij in de betwiste periode in de bijstandsgemeente woonde, maar de Raad stelde vast dat hij feitelijk buiten die gemeente verbleef zonder dit te melden.
De Raad baseerde zich op verklaringen van betrokkene, verbruiksgegevens van nutsvoorzieningen en verklaringen van appellant zelf. Hierdoor werd vastgesteld dat appellant zijn hoofdverblijf buiten de bijstandsgemeente had, waardoor hij geen recht had op bijstand in die periode. De Raad bevestigde dat de intrekking en terugvordering terecht waren en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering worden bevestigd.