ECLI:NL:CRVB:2005:AT3467
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verplichting tot arbeidsgerichte begeleiding in bijstandsuitkering bevestigd
Appellant, een bijstandsontvanger, maakte bezwaar tegen besluiten van de gemeente Maastricht waarin hij werd verplicht deel te nemen aan begeleidingsprojecten gericht op arbeidsinschakeling. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het vervallen van de verplichting niet-ontvankelijk en het bezwaar tegen de verplichting tot deelname ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat er wel sprake was van een besluit met rechtsgevolg en dat hij geen begeleiding wenste.
De Raad oordeelde dat de mededelingen van de gemeente wel degelijk besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 Awb Pro, omdat zij een verplichting opleggen die de arbeidsinschakeling moet bevorderen en daarmee invloed heeft op de bijstandsuitkering. De rechtbank had dit miskend, waardoor het vonnis werd vernietigd.
De Raad beoordeelde vervolgens de besluiten zelf. Het besluit van 20 maart 2002 om de verplichting tot deelname aan het project “Ik doe mee” te laten vervallen, maakte het bezwaar tegen het eerdere besluit overbodig, zodat het beroep ongegrond was. Het beroep tegen het besluit van 27 maart 2002 om deelname aan een ander begeleidingstraject op te leggen, werd eveneens ongegrond verklaard omdat appellant geen zwaarwegend beletsel had aangevoerd.
De Raad wees proceskostenveroordeling af wegens gebrek aan bewijs van kosten. De uitspraak bevestigt dat gemeenten verplichtingen kunnen opleggen om arbeid te bevorderen binnen de bijstand, en dat dergelijke besluiten rechtsgevolg hebben.
Uitkomst: De beroepen tegen de besluiten tot verplichting tot deelname aan begeleiding worden ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.