ECLI:NL:CRVB:2005:AT4998
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bijstand wegens verwijtbaar werkloos gedrag en herhaald verwijtbaar handelen
Appellant trad op 1 januari 2001 in dienst bij een werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een proeftijd van twee maanden, welke niet rechtsgeldig was volgens de toepasselijke CAO en wetgeving. De werkgever beëindigde de arbeidsovereenkomst op 28 februari 2001. Appellant vroeg bijstand aan, maar het College van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch weigerde deze gedurende vier maanden wegens verwijtbaar werkloos zijn en herhaald verwijtbaar gedrag.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en appellant ging in hoger beroep. De Raad oordeelde dat appellant zich had moeten verzetten tegen het niet-rechtsgeldige ontslag in de proeftijd en dat het niet aanvechten hiervan betekent dat hij zijn arbeid niet heeft behouden door eigen toedoen. Hierdoor is sprake van verwijtbaarheid. De Raad vond de opgelegde maatregel van vier maanden volledige bijstandsweigering proportioneel en in overeenstemming met artikel 14 van Pro de Algemene bijstandswet.
De Raad concludeerde dat er geen dringende redenen waren om van de maatregel af te zien en dat het herhaald verwijtbare gedrag sinds augustus 2000 rechtvaardigt dat een zwaardere maatregel werd opgelegd dan de standaardmaatregel. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vier maanden volledige weigering van bijstand wegens verwijtbaar werkloos zijn en herhaald verwijtbaar gedrag.