ECLI:NL:CRVB:2005:AT5813
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering WW-uitkering wegens niet opgeven werkzaamheden en toetsing sanctiebeleid
De zaak betreft een geschil over de herziening en terugvordering van een WW-uitkering aan gedaagde wegens het niet opgeven van werkzaamheden in loondienst en als zelfstandige. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), legde een sanctie op van blijvende gehele weigering van WW-uitkering vanaf 2 januari 1995 en een boete na 1 augustus 1996. De rechtbank verklaarde het beroep van gedaagde tegen de sanctie gegrond wegens strijd met redelijke beleidsbepalingen en het evenredigheidsbeginsel, maar wees het beroep tegen de boete af.
De Raad stelt vast dat de gedragingen zich uitstrekken over een periode vóór en na 1 augustus 1996, de datum waarop het sanctieregime wijzigt door de Wet BMTI. De Raad bevestigt dat de sanctie van blijvend geheel weigeren alleen kan gelden tot 1 augustus 1996 en dat voor de periode daarna een boete moet worden opgelegd. De zogenaamde “knip” in de periode is gerechtvaardigd en in lijn met eerdere jurisprudentie.
De Raad oordeelt dat appellant ten onrechte de sanctie van blijvend geheel weigeren heeft laten doorwerken over de periode na 1 augustus 1996, wat niet strookt met de wetgeving en het beleidskader. De uitspraak van de rechtbank wordt daarom op andere gronden bevestigd. Appellant wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen dat voldoet aan deze overwegingen. Tevens veroordeelt de Raad appellant in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de sanctie van blijvende gehele weigering WW-uitkering niet mag doorwerken na 1 augustus 1996 en dat appellant een nieuw besluit moet nemen.