ECLI:NL:CRVB:2005:AT5880
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit autohandel
Appellanten ontvingen een bijstandsuitkering die werd aangevuld met een WAO-uitkering. Naar aanleiding van een onderzoek door de sociale recherche naar vermeende autohandelactiviteiten van appellant, werd de uitkering per 1 februari 2002 geblokkeerd en vervolgens beëindigd. Appellant betwistte de beëindiging en stelde onder meer dat zijn verklaring onder druk was afgelegd en dat hij geen inkomsten uit de autohandel had genoten.
De Raad stelde vast dat de verklaring van appellant, waarin hij zijn werkzaamheden als autohandelaar toegaf, rechtsgeldig was en dat latere intrekkingen daarvan geen doorslaggevende betekenis hadden. Het onderzoek en verklaringen van getuigen ondersteunden dat appellant op geld waardeerbare activiteiten verrichtte en inkomsten genoot die niet aan het bestuursorgaan waren gemeld, waarmee de inlichtingenverplichting was geschonden.
De Raad oordeelde dat de blokkering en beëindiging van de uitkering terecht waren en dat appellant niet kon aantonen dat hij recht had op bijstand vanaf 1 februari 2002. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenverplichting.