ECLI:NL:CRVB:2005:AT6379
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verlaging en terugvordering bijstand wegens niet-duurzaam gescheiden leven
Appellante ontving een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van informatie werd onderzocht of zij duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot. Uit het onderzoek bleek dat zij een gezamenlijke huishouding voerde, ondanks het beschikken over afzonderlijke woonruimte. Daarom werd haar bijstandsuitkering ingetrokken en teruggevorderd over de periode mei tot juli 2000.
Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar deze werden ongegrond verklaard. Bij hoger beroep stelde zij dat er geen sprake was van een gezinssituatie omdat haar echtgenoot elders woonde met hun zoon. De Raad stelde vast dat het feitelijk samenleven leidde tot het oordeel dat zij niet duurzaam gescheiden leefde, waardoor zij geen recht had op bijstand volgens de norm voor een alleenstaande ouder.
Daarnaast werd een boete opgelegd wegens het niet nakomen van de inlichtingenplicht. De Raad oordeelde dat het besluit tot verlaging van de bijstand gebaseerd was op een onjuiste wettelijke grondslag (WWB in plaats van Abw) en vernietigde dit besluit. De opgelegde boete werd verlaagd tot €163,36 conform het IVBPR. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Besluit tot verlaging bijstand vernietigd, boete verlaagd tot €163,36 en gedaagde veroordeeld in proceskosten.