ECLI:NL:CRVB:2005:AT8459
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering AOW wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante diende een aanvraag in voor een AOW-pensioen en gaf aan sinds 1982 samen te wonen met een partner op hetzelfde adres. De Sociale Verzekeringsbank stelde vast dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en kende het pensioen toe naar de norm voor gehuwden of samenwonenden.
Appellante maakte bezwaar tegen deze beoordeling en stelde dat haar situatie neerkwam op een kostgangersrelatie of onderhuur, waardoor zij aanspraak maakte op een AOW-pensioen naar de norm voor een ongehuwde. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en wees het beroep af.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank dat appellante en haar partner een gezamenlijke huishouding voeren in de zin van de AOW. Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van te veel betaalde AOW blijft gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante een gezamenlijke huishouding voert en wijst het hoger beroep af.