ECLI:NL:CRVB:2005:AT8498
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens vermeende gezamenlijke huishouding niet gerechtvaardigd
Appellante ontving een bijstandsuitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) als alleenstaande met toeslag. Na onderzoek door de sociale recherche werd geconcludeerd dat zij samenwoonde met betrokkene, een zeeman die afwisselend twee weken op het schip en twee weken thuis verbleef. Op basis hiervan trok de gemeente Kerkrade de uitkering in en vorderde de kosten terug.
De Raad beoordeelde of sprake was van een gezamenlijke huishouding, waarbij het hoofdverblijf van betrokkene centraal stond. Uit verklaringen en onderzoek bleek onvoldoende aannemelijk dat betrokkene zijn hoofdverblijf bij appellante had. Onzeker bleef waar zijn administratie was, waar hij verbleef tijdens niet-werkperiodes en waar hij zijn persoonlijke bezittingen had.
De Raad concludeerde dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor gezamenlijke huishouding zoals bedoeld in artikel 3 Abw Pro. Hierdoor was de intrekking van de uitkering en de terugvordering onterecht. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en de gemeente werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.