ECLI:NL:CRVB:2005:AT8827
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- J.C.F. Talman
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en weigering WW-uitkering voor overheidswerknemer
In deze zaak heeft de appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem waarin werd geoordeeld dat gedaagde recht heeft op een WW-uitkering. Gedaagde was een overheidswerknemer die na een periode van arbeidsongeschiktheid een herziening van zijn WAO-uitkering kreeg en vervolgens een WW-uitkering aanvroeg, welke werd geweigerd door appellant.
De kern van het geschil betrof de vraag of gedaagde viel onder fase 2 of fase 3 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (Wet OOW). Appellant stelde dat gedaagde onder fase 3 viel, waardoor zijn dienstverband niet als dienstbetrekking in de zin van de WW kon worden aangemerkt en de WW-uitkering terecht werd geweigerd. Gedaagde voerde verweer en stelde dat hij onder fase 2 viel.
De Raad overwoog uitgebreid dat de Wet OOW en de bijbehorende faseringsbesluiten niet expliciet aangeven welke groepen onder welke fase vallen, maar dat dit uit de samenhang van de regelingen en toelichtingen moet worden afgeleid. De Raad concludeerde dat gedaagde niet tot de doelgroep van fase 3 behoort, omdat hij op 1 januari 2001 geen ontslaguitkering of uitkering wegens ziekte ontving, maar een WAO-uitkering. Hierdoor valt hij onder fase 2 en is zijn dienstverband vanaf het begin als dienstbetrekking in de zin van de WW aan te merken.
De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep van appellant af. Tevens veroordeelde de Raad appellant in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: Het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt afgewezen en het recht op WW-uitkering van gedaagde bevestigd.