ECLI:NL:CRVB:2009:BH1663
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering na suppletie op grond van BZA wegens arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig docent die wegens arbeidsongeschiktheid zijn werkzaamheden staakte, ontving een WAO-uitkering en een aanvullende suppletie op grond van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BZA). Na het bereiken van de maximale duur van de suppletie per 28 februari 2005, vroeg appellant een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens het niet voldoen aan de wekeneis.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat de eerste werkloosheidsdag niet de datum van het einde van de suppletie was, maar de datum van het ontslag in 2000. De Raad beoordeelde vervolgens of en wanneer de WW op appellant van toepassing werd, gelet op de gefaseerde invoering van de WW voor overheidswerknemers.
De Raad oordeelde dat de suppletie een uitkering is die vergelijkbaar is met wachtgeld in de zin van het Rijkswachtgeldbesluit 1959, waardoor appellant onder fase 3 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen valt. Omdat fase 3 voor de WW niet in werking is getreden, bestaat geen recht op WW-uitkering. Het bestreden besluit werd vernietigd wegens onjuiste feitelijke en wettelijke grondslag, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. De Raad wees appellant op het recht op een BWOO-uitkering na het einde van de suppletie en veroordeelde het UWV in de proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; appellant heeft geen recht op WW, wel op een BWOO-uitkering.