ECLI:NL:CRVB:2005:AT9106
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1964 een nabestaandenuitkering die in 1996 werd omgezet naar de Algemene nabestaandenwet (Anw). Vanaf 1998 werden Anw-gerechtigden die een gezamenlijke huishouding voeren gelijkgesteld met gehuwden, wat invloed had op de hoogte van de uitkering. Na melding van samenwoning in 1997 werd de uitkering verlaagd tot 30% van het minimumloon, maar na een latere melding van beëindiging van samenwoning werd deze weer verhoogd.
In 2000 meldde appellante dat betrokkene nog steeds bij haar woonde, waarna gedaagde een onderzoek instelde. Dit leidde tot de conclusie dat er zowel in 1996 als in 1997 sprake was van een gezamenlijke huishouding, waarop de uitkering per 1998 opnieuw werd verlaagd. Bezwaar hiertegen werd ongegrond verklaard en ook de rechtbank wees het beroep af.
De Centrale Raad oordeelt dat appellante haar inlichtingenplicht niet tijdig is nagekomen, waardoor een te hoge uitkering is verstrekt die terecht is herzien. Er zijn geen dringende redenen om van herziening af te zien. De Raad bevestigt dat de gezamenlijke huishouding onweerlegbaar wordt vermoed vanwege het gezamenlijke hoofdverblijf en het gezamenlijk kind. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding.